Blog | Wij allen vallen af als een blad
De weg slingert door een landschap vol diepe roodtinten en goudgeel licht. Terwijl ik naar een cliënt fiets geniet ik van die prachtige herfstkleuren. Tegelijk voel ik een lichte weemoed. De vallende bladeren herinneren mij aan vergankelijkheid, aan de woorden uit Jesaja 64 vers 6: “En wij allen vallen af als een blad.”
Voor mij doemt de oude eikenboom op die ik elke keer passeer. Vandaag ligt hij onder een deken van kleuren. De zon raakt de bladeren waardoor ze glanzen, alsof ze van goud zijn. Even verderop zie ik het huisje waar ik moet zijn. Het staat afgezonderd van de drukte van het dorp. Van buiten oogt het vredig, bijna schilderachtig. Maar ik weet dat het binnen anders voelt, want ziekte en eenzaamheid maken een huis soms zwaar.
Met een ietwat gespannen gevoel zet ik mijn fiets op slot en loop achterom. Aanbellen mag niet, dat vindt meneer De Wachter* ‘alleen maar fratsen’. Hij laat de deur altijd open. In de hal kondig ik mij aan. Achter de tweede deur rechts wacht hij zoals altijd in zijn massieve eiken stoel bij de kachel. Maar vandaag zie ik het meteen. Hij oogt bleker en magerder dan de vorige keer. Zijn lichaam vertelt een verhaal dat zijn woorden nog moeten bevestigen.
Mijn vraag naar hoe het met hem gaat maakt iets los. Hij reageert fel. “Iedereen vraagt dit maar. Gisteren de huisarts al, vorige week een andere mevrouw die over het eten gaat en nu jij weer. Jullie hebben toch van die systemen waarin je alles van elkaar kunt teruglezen?” Zijn verwijten buitelen over elkaar. Ik weet dat het niet persoonlijk is. Ik laat het even gebeuren. Dan wordt het stil. Alleen de klok tikt. Meneer De Wachter veegt een traan weg en knikt wanneer ik voorzichtig vraag of hij verdrietig is.
Wat volgt is een stroom van herinneringen en pijn. Hij vertelt over zijn vrouw die hem verliet toen ze nog maar twee jaar getrouwd waren. Over hun zoon die zij meenam en waar hij geen contact meer mee heeft. Over dat ene moment waarop zijn zoon toch weer contact zocht, maar ook hoe dat contact opnieuw verdween. En nu is hij ziek. Hij weet dat hij gaat sterven en vraagt zich af of hij zijn zoon ooit nog zal zien. Zijn zorgen zijn groot en zijn woorden blijven komen. Ik luister stil.
Dan verschuift het gesprek. Hij vraagt wat hij nog kan doen. Of hij iets kan regelen. Zijn zoon blijft immers zijn zoon. Ik stel voor dat hij een brief schrijft, zodat zijn zoon weet wat hij voor hem heeft betekend. Ook al zouden ze elkaar niet meer zien. We praten over wensen rondom zijn levenseinde, over het maken van een testament en over praktische zaken die geregeld kunnen worden. Eerdere bezoeken lieten weinig ruimte voor dit gesprek, het was te pijnlijk voor meneer. Maar nu wil hij het wel. Hij vraagt zelfs of ik snel weer langskom. Die belofte geef ik graag. En ik benadruk dat ik de bijzonderheden doorgeef aan de huisarts, zodat we als zorgverleners beter op elkaar aansluiten en herhaling van vragen voorkomen.
Wanneer ik terugfiets voel ik verdriet om meneer De Wachter, maar tegelijk ook blijdschap. Wat bijzonder dat ik, als een schakeltje in het grotere geheel, hem tot hulp en steun mag zijn bij de afronding van zijn leven. De bladeren om mij heen schitteren in het zonlicht. Grote en kleine bladeren, elk met een eigen kleur, elk met een eigen moment van loslaten. Vergankelijk. Dat is het leven. Ja, wij allen vallen af als een blad.
Gerda van de Kolk-Bronkhorst
Palliatieve zorg verpleegkundige
Deze blog is onderdeel van een blogserie die beurtelings wordt verzorgd door onze palliatieve zorg verpleegkundigen.
*Vanwege privacyredenen is deze naam gefingeerd.
Ontwerp & realisatie door